Het ging heel goed hier in Ottawa. Het ging allemaal heel natuurlijk, we voelden ons al snel thuis. Alles hosanna en gejubel en et cetera. José had haar draai in het ziekenhuis wel gevonden, Koosje Jans ging met plezier naar school en dankzij de uitzonderlijk goede zomer trapte ik vele kilometers weg. We misten Nederland eigenlijk helemaal niet en hadden ondanks werk en school nog een beetje een vakantiegevoel. Al weken.

Tot vorige week donderdag.

Het was weer een warme nacht geweest, maar het gewoel voelde anders. Ik werd met hoofdpijn wakker en had gedurende de nacht een stapel volgesnoten zakdoekjes naast mijn bed verzameld.
"Ik geloof dat ik me niet heel lekker voel," vertelde ik José. "Vanavond maar op tijd naar bed. Het zal wel slaapgebrek zijn."
"Daar heb ik volgens mij ook last van," snifte José en ze vertrok naar haar werk.

De middagtraining werd geskipt, het eten smaakte dankzij de volle neus nergens naar en we lagen er echt vroeg in. De volgende ochtend bleek: het hielp niet. Ik was duizelig, had blijkbaar toch een griepje of zo te pakken.

"Weet je," zei José, "de afgelopen weken waren zo fijn, dat je haast vergeet dat je hier ook gewoon ziek kunt worden. Voor zo'n virus maakt het natuurlijk niet uit of je hier vandaan komt of dat je er tijdelijk bent. Zo'n verkoudheid maakt het dat het leven hier echt normaal wordt." En tussen het sniffen door moest ik erom grinniken.

Hoe ik me nu voel? Laat ik het zo zeggen: het is weer bijna abnormaal.