Dinsdagochtend, 11.37 uur.

Ik heb net televisie gekeken, zoals ik altijd doe. Vandaag was het echter anders. Want ik heb haar gezien. Welk net ik ook opzette, ik kon haar niet ontvluchten. Zelfs toen ik de televisie uitgezet had, waren haar woorden te horen, alsof mijn hoofd een transistorradio was.
Het was frappant dat ze juist nu verschenen was, nu ik bijna klaar was met het afronden van wat ik zelf het ‘Grootste Werk’ noemde. Als ik hiermee klaar was, zou eeuwige roem mij ten deel vallen. Het zou over de hele wereld één grote schok teweeg brengen.

Ik had nog nooit tegen iemand gezegd waar ik mee bezig was. Toen ik ermee begon, had ik mij voorgenomen mijn werk pas bekend te maken op het moment dat ik het helemaal afgerond had en het er nooit meer met ook dan maar iemand over te hebben. Ik zou mij in stilzwijgen hullen. Ik zou mij afzonderen in een huisje op de hei. Ik zou pas vlak voor mijn dood weer een woord zeggen: "Vaarwel!".

Het begon toen ik in een boek dat ik in een stoffig boekenzaakje had gekocht, een handgeschreven briefje had gevonden. Dat briefje bracht mij op het idee van het ‘Grootste Werk’, het ultieme werk. Ik heb mij daarvoor van de wereld afgezonderd, ik heb daarvoor mijn sociale leven opgegeven, ik had buiten mijn normale werkweek nog een tweede werkweek, een ‘Grootste Werk’-week, ik heb jarenlang maar drie uur per nacht geslapen, ik heb mezelf afgepeigerd, ik heb mijzelf én mijn omgeving verwaarloosd. Het was schandalig hoe ik met mijzelf ben omgegaan. Het zou het echter allemaal waard zijn, mijn ultieme droom zou werkelijkheid worden, de droom der dromen, het ultieme van het ultieme, het grootste van het grootste. Al vanaf het moment dat ik het briefje vond, was ik iedere, iedere seconde bezig met wat mij op het hoogste voetstuk zou plaatsen. Alle ‘Groten der Aarde’, op wat voor gebied dan ook, zouden in één klap vergeten zijn. Elk geschiedenisboek zou allen nog maar over mij en mijn werk gaan. Mijn naam zou in ieders geheugen gegrift staan. Zelfs de dieren en planten zouden mijn invloed merken. Geen beslissing zou meer genomen worden zonder dat daarbij mijn invloed te merken was. De wereld zou niet meer om de zon draaien, maar om mij. Elk jaar zou op de dag dat ik mijn ‘Grootste Werk’ uitgebracht had over de gehele wereld dat heuglijke feit herdacht worden. Het zou één groot, werelds feest worden. Een feest groter en belangrijker dan Kerstmis, Pasen, Pinksteren, Sinterklaas en Carnaval samen, kortom het feest der feesten.
In het begin heb ik er lang over nagedacht hoe ik het zou moeten aanpakken, er langdurig en veel over nagedacht of ik er überhaupt aan moest beginnen, want voor mij stond het vast dat dit vérstrekkende gevolgen zou hebben voor de wereld, wat zeg ik, voor het heelal, nu, vroeger en in de toekomst. Niks zou meer zijn zoals het was, geweest was en zou worden. Er zou nog maar een zekerheid zijn en dat was mijn werk, MIJN werk, het werk der werken, het ‘Grootste Werk’. Elke studie zou afgebroken moeten worden, want er zou toch niets meer kloppen van alle theorieën. Geen enkel boek zou meer uitgegeven worden, want men las toch alleen maar mijn werk. Elke auteur zou vergeleken met mij maar een amateur zijn, een schoolopstelschrijver. Ieder programma op radio en televisie zou over mij of mijn werk of over mij én mijn werk gaan, want dat was het enige dat de mensen nog interesseerde.

Toen ik er éénmaal mee begonnen was, was er voor mij ook geen houden meer aan. Niemand kon mij nog stoppen, niets stond mij en mijn droom nog in de weg. Ik zou het gaan maken, ik, de Grote, de Grootste. Ik zou de wereldleider zijn, ik zou de dienst uitmaken, ik zou over alles en iedereen beslissen.

En nu had zij alles al gezegd.