Toen de man de gordijnen opentrok, de vogels hoorde fluiten en de zon in zijn gezicht voelde schijnen, wist hij het. Dit was een mooie dag om te versterven. Dat het vandaag ook de twintigste sterfdag van zijn vrouw was en hij extra naar haar terugverlangde, zou zeker meespelen. Maar sterven was tot nu toe geen optie geweest, zelfs geen troost geleken in zware tijden. Hij moest er eerst zijn voor zijn kinderen, die hem des te meer nodig hadden toen hun moeder er niet meer was. Herenigen mocht pas als zijn taken hier op het aardse erop zouden zitten.

Zijn kinderen waren echter volwassen geworden en hadden eigen gezinnen gesticht. Ze stonden als zelfstandige volwassenen volop in het leven. Hij had zijn werk hier beneden volgens hem meer dan naar tevredenheid uitgevoerd en hij mocht wel terug naar zijn liefde.
Vandaag zou hij nog één keer een mooie dag leven en dan was het wel tijd om zijn vrouw weer te zien.
Tevreden over deze geruststellende gedachte knoopte hij zijn badjas om, liep fluitend naar beneden en maakte een ontbijtje. Voor twee. Twee beschuitjes met verse aardbeien, twee crackers met kaas en een versgeperste jus en een glas melk. Want zij hield bij leven niet van jus, dus dat zou nu vast niet anders zijn.
Het ontbijt ging op een dienblad en onderweg naar bed pakte hij nog even de krant uit de brievenbus. Hij las eerst het wereldnieuws, vervolgens de regionale berichten en sloot af met zijn dagelijkse sudoku. Om de hersenen fit te houden en Alzheimer te voorkomen. De laatste hap beschuit met aardbei werd met een slok jus weggespoeld en hij deed zijn ogen dicht.
Zijn gedachten gingen hem vooruit. Hij voelde al haast hoe hij zijn vrouw na twintig jaar weer in zijn armen sloot. Haar stem kwam weer bij hem boven, maar eerst hoefde er eigenlijk niks gezegd te worden.

Voor de derde keer binnen een minuut ging de deurbel. De eerste had hem uit zijn versterven gehaald, bij de tweede raakte hij geïrriteerd en na de derde keer leek het hem toch een goed idee om de deur maar eens open te doen. Daar stond zijn kleindochter, huilend. Ze was met de hond naar hem toegelopen, maar vlakbij was de hond ontsnapt en nu was ze hem kwijt.
Hij trok snel een broek en overhemd aan, koos een aangenaam paar schoenen en ging helpen zoeken. Het duurde twee uur voor de hond kwispelend aan kwam lopen, zich van geen kwaad bewust. Om zijn kleindochter te troosten nam hij haar mee voor een ijsje in de stad en toen hij haar thuis bracht, verplichtte zijn zoon hem te blijven eten.
Tegen tienen kwam hij thuis. De dag zat er zo'n beetje op en hij leefde nog. Een lichte teleurstelling maakte zich van hem meester. De hele dag had hij er niet meer aan gedacht, maar nu, zo alleen in de woonkamer, had hij haar wel weer willen zien.
Enfin, het was geen tijd om daar over te mijmeren. Het was bedtijd. Hij zou wel zien wat morgen hem zou brengen.

De man trok de gordijnen open en zag weer dat het goed was. Hij had dan gisteren niet kunnen sterven, vandaag was het er weer een prima dag voor. En voor de tweede dag op rij maakte hij een ontbijtje-voor-twee, peuzelde dat in bed op (die extra kruimels, ach, daar zou hij toch geen last meer van hebben) en ging weer liggen.
Hij had zijn ogen nog niet gesloten of hij hoorde zijn naam roepen. De stem van de buurman klonk steeds luider, enigszins in paniek ook. Hij stond op uit bed, deed het raam open en vroeg wat er aan de hand was.
De buurman had een lekkage. Er zat water tussen het plafond van de keuken en de vloer van de badkamer en het water stroomde langs de muren naar beneden. En omdat hij zo handig was, vroeg de buurman of hij hem kon helpen.
Nobel als hij was, stiefelde hij naar beneden, haalde hij zijn gereedschapskist uit de schuur en kluste tot de zon onder was. Zijn buurman dankte hem met een borrel.
Hij stapte een beetje aangeschoten in bed, wat hem wellicht nog wat emotioneler maakte. Maar feit was dat hij het moeilijk vond dat hij nog een dag langer had geleefd en hij een dag minder in de eeuwigheid bij zijn vrouw kon zijn. Bovendien kon door de broodkruimels minder goed in slaap vallen. En hoewel het volledig tegen zijn principes inging, sliep hij boos in.

Toen het de dag erna regende, leek hem dat – hij was nog steeds kwaad – stemmig weer om te versterven. En wederom maakte hij voor zijn vrouw en hem  een ontbijt, at dat in bed op en deed hij zijn ogen dicht, wachtend op de eeuwige dood.
Het verbaasde hem niet eens dat hij nog geen vijf minuten later gebeld werd. Dat de voetbalclub waar hij al zijn hele leven lid van was en tot vorig jaar nog bestuurslid van geweest was, hem zocht omdat ze dringend een scheidsrechter nodig hadden.
“Welja,” dacht hij bij zichzelf, “waarom zou ik dat niet doen? Tenslotte heb ik al twee dagen vertraging, dan kan de derde er ook wel bij.”

En zo ging het dag in, dag uit. Iedere dag was hij klaar om dood te gaan, iedere dag herhaalde het ontbijtritueel zich, maar telkens was er wel iemand die de man nodig had. Om hem heen stierven de mensen een voor een, maar zijn kleinkinderen kregen kinderen die kinderen kregen die kinderen kregen die kinderen kregen. En elk huis in zijn straat dat leeg kwam te staan, werd telkens door nieuwe mensen bewoond. Al die mensen hadden hem nodig voor klusjes in het huis, voor hulp bij huiswerk, om uit te huilen na een mislukte relatie, een miskraam, een sterfgeval.
Maar dat steeds meer mensen hem ontvielen en hij steeds meer redenen kreeg om te sterven, zag niemand. Iedereen zag alleen de hulp die hij kon bieden. Niemand zag wat hij eigenlijk nodig had, namelijk rust.
En als mensen dat nog steeds niet zien, leeft hij waarschijnlijk nog.