I

Sinds de jaren zeventig stond in dit huis de tijd stil. De meubels in de woonkamer waren van de trouwgiften gekocht en de tegels in de keuken waren zo oud, dat ze nu bijna weer in de mode raakten. Wouters ouders waren van het praktische soort en hingen het geloof aan dat je pas iets nieuws nodig hebt als het oude stuk is.
Dat gold alleen niet voor een relatie. Sinds zijn vader tien jaar geleden door zijn moeder de deur was gewezen, was er helemaal niks meer vervangen. Geen nieuwe man, geen nieuwe bank, zelfs geen nieuwe boeken: zijn moeder had het veel te druk met het onrecht dat haar was aangedaan.
En hij was het schuld. Dát veranderde wel. Dat werd in de loop der jaren alleen maar erger.

II

Wouter was bij zijn moeder om te vertellen hoe het gisteravond was gegaan. Hij had voor het eerst in jaren met zijn vader afgesproken, maar dat had niet opgeleverd wat hij gehoopt had. En hoewel zijn moeder vast weer verbitterd zou reageren, hoopte hij dat zíj hem duidelijkheid kon verschaffen. Hij wilde antwoorden op de vragen die hij gisteren aan zijn vader stelde.

III

Wouter was het eerste kind van zijn ouders. Pas na vijf jaar huwelijk en evenzoveel frustratie raakte zijn moeder zwanger. De negen maanden die volgden, waren de gelukkigste uit hun huwelijk. De fotoalbums uit die periode heeft hij vaak moeten inzien en eerlijk is eerlijk, zijn ouders zagen er ook gelukkig uit. Zijn moeder had altijd kinderen willen hebben en zijn vader was trots zijn genen te hebben doorgegeven. Trotser dan hij van tevoren gedacht had.
De mooiste foto van zijn ouders was een maand of anderhalf voor zijn geboorte. Zijn ouders gingen er een dagje tussenuit, naar de zee. Daar had zijn vader een voorbijganger gevraagd een foto van hun tweeën, nee, hun drieën te nemen. En met zijn ene hand greep hij zijn vrouw stevig bij haar schouder en de andere hand legde hij op de buik. Hij kon niet wachten op de geboorte.
De geboorte kwam sneller dan verwacht en zijn vader werd op zijn werk gebeld dat hij zo snel mogelijk naar huis moest komen. Zijn vrouw lag in barensnood.
Hij repte zich naar huis en had het gevoel zijn vrouw in de steek te laten. Op het moment suprême was hij niet bij de belangrijkste gebeurtenis uit zijn eigen leven: de geboorte van zijn kind. En natuurlijk werkte het verkeer niet mee, waardoor zijn ergernis alleen maar groeide en groeide.
Met een mengeling van kinderlijke spanning voor het onbekende en woede omdat hij faalde, opende Wouters vader de voordeur. Hij hoopte dat hij zijn vrouw zou horen puffen. Maar hij hoorde het gehuil van een baby, van zijn kind. Hij was te laat.
Op dat moment kwam een hem onbekende man de trap afgerend. Wouters vader keek recht in twee verschrokken ogen, sloeg het gezicht voor altijd in zijn geheugen op, maar was zelf te verbouwereerd om te reageren. En terwijl de vreemde man naar buiten vluchtte, realiseerde Wouters vader zich dat hij niet alleen te laat was, maar ook niet de eerste man in het leven van zijn kind.

IV

Wouters moeder was naar boven gegaan. Ze zou een doos met herinneringen ophalen, dan kon hij dat meenemen. Ze was er nu helemaal klaar mee en het was tijd voor een grote opruiming. De bezem zou door het huis én haar leven gaan.
Dat zei ze iedere keer als hij langs kwam en telkens nam hij een doos mee terug, wetend dat hij de keer erna weer zo'n doos zou krijgen. Waar zijn moeder ze vandaan haalde, wist hij niet. Maar blijkbaar stond het huis vol herinneringen. Ze raakten nooit op, net als zijn moeders woede.

V

Wouters moeder kon of wilde niet vertellen wie die man was. Iedere keer als Wouters vader ernaar vroeg, antwoordde zij dat ze het echt niet wist.
“Hij was er zomaar. Hij kwam op het heftigste moment binnen en zowel de vroedvrouw als ik hadden helemaal geen tijd om te vragen wie hij was. Bovendien draaide hij zich na tien seconden om en rende hij de trap af, naar beneden.”
Maar zijn vader kon of wilde dit verhaal niet geloven. Ten eerste omdat hij dan maar net te laat zou zijn geweest en dat maakte het falen voor hem nog erger. Maar hij snapte ook niet hoe de man dan was binnengekomen. De vroedvrouw verklaarde achteraf dat ze dacht dat zij de deur wel had dichtgedaan, maar zijn vader interpreteerde dit als dat het ook kon dat zij dat niet had gedaan. Bovendien was er een zaadje van een gedachte in hem ontsproten, dat hem vertelde dat zijn vrouw vreemd was gegaan. En dat Wouter helemaal zijn zoon niet was.
Wouters moeder bleef alles bij hoog en laag ontkennen. Zij hield toch alleen van hem? Ze had nog naar geen andere man durven omkijken. Het kind was van hem, zoveel was voor haar zeker. Ze wilde geen andere man dan Wouters vader en had ook nooit een andere man willen hebben.
Dat Wouter in de loop der jaren steeds meer op de man op de trap ging lijken, maakte het verhaal van zijn moeder ongeloofwaardiger en zijn vader ging steeds meer in zijn eigen ideeën geloven. Wouter was zijn zoon niet en hij hoefde zich dus niet als zoon te zien. Wouter was voor zijn vader een vreemdeling die hij in zijn eigen huis duldde, maar die zich wel aan zijn regels moest houden. Het was immers maar voor de helft het ouderlijk huis van Wouter.
Na bijna twee decennia ruzie, vond Wouters moeder het genoeg. Op zijn achttiende verjaardag kreeg Wouter een rijles en zijn vader een koffer met kleren. Nu Wouter volwassen was, hoefden zijn ouders volgens zijn moeder niet meer 'voor het kind' bij elkaar te blijven. Wouters vader verdween uit het leven van Wouter en zijn moeder en liet lang niks meer van zich horen. Ook in afwezigheid zweeg hij.

VI

Wouter keek naar het tafeltje linksachter. Daar hadden ze afgesproken. Maar tenzij zijn vader in zeven jaar een nieuw gezin had gesticht, zat zijn vader er niet.
Een tafeltje ervoor zat wel een man alleen. De kale plek op zijn hoofd was hetzelfde, de haren rondom grijs in plaats van blond. Wouter ademde een keer goed in en liep naar hem toe.
“Papa, dat is lang geleden.” Gedecideerd gaf Wouter zijn vader een hand en ging tegenover hem zitten. “Heb je me wel gemist? Tien jaar zonder wat van je te laten horen. Ik vind het knap.”
Onderweg naar De Lucht had Wouter deze woorden eindeloos herhaald. Ze moesten er zelfverzekerd uitkomen. Verwijtend, maar niet boos. Zijn vader moest overrompeld worden, in een keer in een hoek gedreven. Wouter zou zich de openingszet toe-eigenen en zijn vader meteen klemzetten.
“Is het nog maar tien jaar geleden, jongen? Van mij hadden het er meer mogen zijn. Bij je eigen kind is dat misschien lang, maar bij een bastaardzoon is dat blijkbaar goed uit te houden.”
Even was Wouter stil, waarna hij het nog een keer probeerde. “Volgens mij ben jij mijn vader. Punt. Daar kun jij niks aan veranderen.” Hij wist dat zijn vader dit nooit als argument had geaccepteerd, maar zo snel wist hij niks beters te zeggen. Wouter zuchtte diep en wachtte op vaders vaste verweer.
“Je hebt bruin haar en ik ben blond. Jij bent lang en smal en kijk naar mij: ik ben gezet. Maar dat kan allemaal misschien. Je moeder zou best gelijk kunnen hebben, theoretisch zou je nog steeds mijn zoon kunnen zijn. Maar vertel mij dan waarom er direct na jouw geboorte, toen ik net te laat thuiskwam, waarom er een lange, donkerharige man de trap af kwam stormen? En waarom ben jij daar in de loop der jaren steeds meer op gaan lijken? Waarom staat die man nu voor me? Zeg het me maar.”
Triomfantelijk keek zijn vader Wouter aan. Die zakte wat verder onderuit en keek naar het tafelblad. Verslagen. Tien jaar had hij zijn vader niet gezien, maar die was niks veranderd. Nog net zo dominant en voor Wouter ongrijpbaar. Had zijn vader het verkeerd? Of loog zijn moeder? Deze ontmoeting loste de vragen niet op, maar hield ze in stand.

VII

Zijn moeder bleef van Wouter houden. Ze verstikte hem haast met haar tekenen van liefde. Tegelijk merkte Wouter dat deze liefde twee kanten kende. Hij was ontegenzeggelijk haar kind en de kern
van haar bestaan. Maar tegelijk was hij de bron van haar verdriet. Zijn ouders waren omwille van hem uit elkaar, hoe weinig Wouter daar zelf ook aan kon doen. En als zijn moeder naar hem keek, zag Wouter daarin hoe zij zich voorstelde hoe het ook geweest had kunnen zijn. Als hij niet op die dag was geboren. Als hij geen rood haar had gehad. Als hij maar niet steeds meer op die vreemde man was gaan lijken. Als niet als.

VIII

Terwijl zijn moeder boven naar de doos met herinneringen zocht, ging Wouter naar de wc. Ook hier was al vijfendertig jaar niks veranderd. Hier kende hij elke tegel, elke voeg en iedere scheur. Als zijn ouders ruzie hadden, vluchtte hij het liefst hierheen. Op de wc was hij veilig. Met de deur op slot ging Wouter op de bril zitten. Zijn handen zette hij tegen zijn oren en hij dacht hardop aan leuke dingen, creëerde hier zijn eigen wereld. Met een vader en een moeder die van elkaar hielden. Een broertje of zusje Maar de stem van zijn vader drong overal doorheen, ook door zijn knuisten. Dat hij zijn vaders zoon niet was.
Nog steeds voelde hij zich op deze wc ongemakkelijk. Het herinnerde hem aan de woorden die hij als kind had gehoord en die zich weer in zijn hoofd nestelden. Ze krioelden net zo vervelend als mieren in je onderbroek.
Na tien minuten ontwaakte Wouter uit zijn herinnering. Hij stond op, veegde zijn kont af en waste zijn handen. Een plens water in zijn gezicht om er weer wakker uit te zien.
Als Wouter op de gang staat, hoort hij vreemde geluiden van boven komen. Zijn moeder schreeuwt en hijgt. Met twee treden tegelijk rent Wouter naar de slaapkamer van zijn moeder, waar het geluid vandaan komt. Zou ze de doos op de kast hebben bewaard en was die op haar gevallen toen ze die voor hem eraf haalde?
Als Wouter de deur opentrekt, ziet hij een jonge vrouw op bed liggen. Halfnaakt, met haar benen wijd. Daarachter staat een andere vrouw met een bloedend hoopje vlees ernaast. Dat hoopje vlees lijkt Wouter aan te kijken en zet het op een krijsen.
Terwijl Wouter geschrokken naar buiten vlucht, komt hij op de trap zijn vader tegen.