De was. Ik haatte het. Vroeger nog niet, toen mama het in de tuin hing. Lakens als grote vlaggen, wapperend in de wind. Om als kind tussendoor te rennen. De geur van wasverzachter die er hing. En de spannende haast als de eerste druppels vielen en we met zijn allen zo snel mogelijk de was binnen haalden.

Nee, ik ben het gaan haten toen ik hier kwam wonen. Ik dacht niet veel ruimte nodig te hebben en was gezien de prijzen al blij met mijn eenpersoonsappartement in het centrum. Het was zomer, de ramen open en de wind blies alles droog. Er was nog niks aan de hand. Totdat het winter werd en de dompige lucht bleef hangen, iedere keer als ik weer een was had gedaan.

En het moet zo vaak. We willen altijd schone kleding, dus we dragen het niet meer tot het vies is of we onszelf ruiken, nee, elke dag willen we iets schoons aan. En dan een witte was, een bonte, de zwarte was en rood ook apart. Ik haatte het.

Ook vandaag zag ik er weer tegenop. Ik had gesport, hing op de bank, stopte mezelf vol met winegums en moest de was nog ophangen. Via internet luisterde ik naar de zender van thuis. Ik ging toch aan de slag. Ik hoorde Franse muziek, rook de wasverzachter en zette de ramen open. En even was ik weer in de tuin, bij mama, tussen de vlaggen.