Sommige mensen in zijn omgeving noemden het kunst, anderen een geestesziekte, voor Akihiko Masayuki was het zijn leven.

Akihiko was geboren als Tijmen Moltmaker, maar net na zijn zevenendertigste verjaardag voelde hij dat dat leven erop zat. Hij had alles eruit gehaald wat erin zat, het kostte hem steeds meer moeite door te gaan. Hij zag geen toekomst meer voor Tijmen, alleen een grote, beangstigende zwarte leegte. Dromen had hij, zeker, maar ook de ervaring dat hij te slap was om ze waar te maken. Hij durfde het niet. Hij kon wel een succesverhaal verzinnen, maar zodra hij iets uitvoerde, zag hij wat er mis kon gaan. Verder leven met de angst die Tijmen heette, dat was misschien nog zijn grootste nachtmerrie.

Tijmen stond iedere ochtend weer op, nam zijn ziel onder zijn arm, sleepte zichzelf voort. Hij bleef dingen proberen, hij bleef mislukken. Tot hij op een dinsdag net na zijn verjaardag over straat liep. Aan de overkant riep iemand “François Soléngue”. Naar hem. Hij zag het duidelijk. De man zwaaide naar hem en Tijmen was de enige aan zijn kant van de straat.

Even wilde Tijmen de man corrigeren, vertellen dat hij de verkeerde voor zich had. Maar Tijmen zag een kans. Hij stak over, omhelsde de man en vroeg hoe het met hem ging. Hij vertelde dat François vaak in zijn gedachten was geweest sinds het was gebeurd, maar dat François er goed uitzag en dat hem dat goed deed.

Nog één keer keek de man hem aan. Hij pakte zijn schouders vast, zuchtte “François”, omhelsde hem op zijn beurt en liep glimlachend en hoofdschuddend weg.

François voelde zich ook goed, voor het eerst in tijden. Hij keek in een raam en zag dat hij er inderdaad goed uitzag. Hij had geen idee wat er precies gebeurd was, maar allerlei mogelijkheden schoten door zijn hoofd. Het was heerlijk.

Hij liep naar huis, verwijderde daar alle herinneringen aan Tijmen en keek om zich heen. Hij zag een wit canvas, een toekomst die hij zelf in kon vullen. Hij ging naar de tweedehandswinkel, leverde Tijmens kleding in en zocht een garderobe uit die typisch François was.

Een week lang vulde hij François’ leven, totdat het canvas niet meer wit was, maar vol vlekken, met een verleden en een toekomst waar hij zich geen raad mee wist. Hij sjokte over straat, met de gelukzalige herinnering aan een lege toekomst drukkend op zijn schouders. Bij de bushalte haalde een vrouw met haar vriendin herinneringen aan hun klas op. Ze vroegen zich af hoe het met Mercedes was. “Je weet wel, Mercedes Chababaque.”

Mercedes rechtte haar schouders, liep terug naar huis, deed de kleding van François in een zak en toog naar de tweedehandswinkels. Ze had nieuwe kleren nodig.