Auke wachtte keurig tot iedereen de trein verlaten had en haatte de passagiers die te vroeg naar binnen gingen. Hij trok zijn grote koffer de treeplank op en twijfelde of hij boven of onder in de dubbeldekker zou gaan zitten.

Het werd boven. Iedere tree bonkte de koffer, achter Auke groeide de rij mensen. Even gleed de koffer uit zijn handen tegen de enkels van de man achter hem. “Sorry,” mompelde Auke terwijl hij oogcontact vermeed en met extra onhandigheid zijn koffer naar boven sleepte.

In de coupé zag hij twee lege plekken. Terwijl hij twijfelde, schoot de man achter hem naar een van de plekken. Auke durfde na het ongeluk met de koffer niks te zeggen en hield zichzelf voor dat hij eigenlijk wel blij was dat hij nu niet hoefde te kiezen. Hij plofte op de stoel neer en wurmde zijn koffer tussen zijn benen. Zijn knie raakte de knie van de vrouw naast hem.

Hij pakte een tijdschrift uit het voorvak van zijn koffer en begon te lezen. Na een pagina liet hij het blad zakken. Zijn buurvrouw keek hem aan.

“Wat is het fijn om nog een zitplek te hebben,” zei Auke. “Elke dag wordt het drukker.”

De vrouw knikte kort, leek iets te willen zeggen, maar Auke was haar voor.

“Ik hoorde laatst dat ze het geen plaatsbewijzen meer noemen, maar vervoersbewijzen. Omdat ze weten dat ze eigenlijk te veel mensen meenemen. Maar goed, we rijden tenminste op tijd en dat is ook niet altijd het geval. En dan de mensen in de trein. Iedereen is met zijn telefoon bezig, gesprekken worden zo luid gevoerd. En maar klagen en maar klagen. Daar kan ik echt slecht tegen, klagende mensen. Want eigenlijk zijn we best verwend met het openbaar vervoer in Nederland, maar het is nooit genoeg.”

De vrouw naast hem legde haar vinger tegen haar lippen. Met haar andere hand wees ze naar het raam.

Een sticker van de stiltecoupé. Dat kon er deze reis ook nog wel bij, zuchtte Auke van binnen. Beschaamd bracht hij het tijdschrift weer voor zijn hoofd.