Buienradar gaf aan dat het een half uurtje droog zou zijn. Doris trok zijn jas aan en ging naar buiten. Hij was op bezoek bij zijn ouders, de sfeer was beklemmend. Hij moest eruit.

Na twee straten besefte Doris dat hij de weg naar de middelbare school liep. Na vijftien jaar zat het automatisme nog in hem. Hij passeerde zijn basisschool. Dezelfde gymbanken als doel op het voetbalveldje, hetzelfde klimrek en zelfs de tekeningen aan het raam leken op die uit zijn jeugd.

Raar om te weten dat je ouder bent, maar het niet te voelen. Doris liep door, langs het huis van Wouter. Wouter was allang verhuisd, ook zijn ouders woonden er niet meer. Toch keek hij naar het slaapkamerraam linksboven of hij discolichtjes op het plafond zat. Dan kon hij aanbellen en zouden ze met Lego spelen.

Nog twee keer de hoek om en Doris was op school. Hij zou naar de fietsenkelder rijden, zijn jas in het kluisje stoppen en in de kantine nog snel een potje tafelvoetbal spelen voordat de lessen begonnen. Meneer Pieters bij gym, meneer Bralda bij geschiedenis en mevrouw De Maas bij Engels. Hij doorliep de gangen in zijn hoofd, beleefde de schooldag, voelde zich weer vijftien jaar en ging de laatste hoek om.

Elke keer als Doris in zijn geboortestad was en de plek van zijn middelbare school zag, stond zijn hart even stil. Het was een prachtig park, maar er miste iets. De school, zijn tweede thuis. Waar hij meer had geleerd dan Nederlands, aardrijkskunde en biologie alleen. Waar hij ontdekte wat verliefd zijn was, waar hij van kind langzaam volwassen was geworden. Waar hij herinneringen voor het leven, van het leven had gemaakt.

Het was het ontbreken van het gebouw dat de melancholie aanwakkerde. Doris kon zich wel vijftien voelen, maar alles was verder gegaan. De herinneringen waren er, maar er was een fysiek gemis. Het maakte de vergankelijkheid zo tastbaar.