Emil van de Hazelhoeve had een eend gezien. Al een paar dagen. Die eend zat aan de rand van de vijver en stak af tegen de witte sneeuw. De eend had honger moeten hebben, het ijs was al dik genoeg om op te schaatsen.

Emil gooide een stukje brood voor de eend in de sneeuw. Het duurde even, maar de eend ging staan, waggelde naar het brood en at het op. Emil zette twee passen naar achteren en gooide weer wat brood op de grond. De eend kwam weer naar voren, leek Emil even aan te kijken en schrokte het stukje snel naar binnen. Al gauw liep Emil in normaal tempo achteruit naar huis en lokte hij de eend naar zijn woonkamer.

De eend kreeg zijn eigen hoek. Emil had een blauwe speelschelp gekocht en gevuld met water. Een beetje zand ernaast en de rest afgezet met gaas.

Hij had de eend gevraagd waarom hij niet naar het zuiden was gevlogen. Het gaf niks dat hij geen antwoord kreeg, de eend was welkom bij hem. Hij zocht op internet welk voer hij nodig had, maakte met enige regelmaat de hoek schoon en sprak tegen de eend. Het was fijn dat iemand naar hem luisterde.

Het was een van de eerste warmere dagen, aan het eind van de winter. Emil was de tuin in gelopen, plukte wat onkruid tussen de voegen van zijn terras en hoorde gekwaak achter hem. Ach natuurlijk, hij was vergeten de deur dicht te doen. “Ga maar weer terug naar binnen, Eend,” zei Emil. Maar de eend luisterde niet. Emil dacht dankbaarheid in de eendenogen te zien, in de houding van het hoofd, vlak voordat de eend ervandoor ging.

Het kon ook gewoon niks zijn, dacht Emil toen hij de biobak de kamer binnen reed en de boel opruimde. Zo gaan de dingen, blijkbaar. En hij was benieuwd wat de lente zou brengen.