De tranen maakten dat Evelijn de weg niet helder zag. Maar dat gaf niks. Ze kende de route uit haar hoofd en op dit tijdstip was er toch niemand op straat buiten enkele dronken studenten die of over straat zwalkten of tegen de muur aan hingen. Die kon ze nog wel ontwijken.

Het was een van die weinige echt warme zomernachten, zo eentje waarin je gelukkig wilt zijn en die je zo lang mogelijk wilt rekken. Evelijn niet. Zij had het koud. Ze verweet zichzelf dat ze er weer ingetrapt was. Voor de hoeveelste keer gingen ze nu uit elkaar? De avond begon fijn. Ze was na het sporten spontaan langsgekomen. Tom had wat hapjes en een halve fles wijn en twee biertjes. Het ging de laatste tijd zo goed, vertelde ze Tom. Met haar, met hun. Tom beaamde dat, maar ze dacht twijfel te horen.

Eén glas later zei ze dat ze van hem hield. Toen Tom humde, eiste ze dat het wederzijds was. En voor ze het wist, had ze het uitgemaakt. Of was het Tom die er een einde aan had gemaakt? Evelijn kon zich de woorden van hun ruzie niet meer herinneren, zo ging het altijd. En dan liep ze weer met tranen in haar ogen midden in de nacht door de verlaten stad naar huis. De stad, die dan weer met haar had gehuild in een regenbui en op een ander moment haar uitlachte met stadse nachtgeluiden die pret en liefde beloofden. Maar niet aan haar.

Evelijn was er klaar mee. Dit was de laatste keer, zo bezwoer ze. Maar de kracht waarmee ze dat voornam, nam met elke breuk af en dat wist ze. Tom en zij waren als magneten, maar verkeerd gepoold. Stonden ze naar elkaar toe, dan stootten ze elkaar af. Maar zodra een van hun de ander de rug toekeerde, voelden ze de aantrekkingskracht weer.

Evelijn wilde omdraaien.