Hole wilde net in zijn droom de telefoon opnemen, toen hij wakker werd. Het scherm op zijn nachtkastje lichtte op. Het was een sms-je. Er stond geen naam bij, het nummer was afgeschermd.

30 min onder noordpijler Blauwe Brug. Laatste kans.

Dit was eng. Hole stond op, schoof het gordijn een klein beetje opzij en keek recht in de koplampen van een auto die langzaam zijn huis voorbijreed. Dit is een rustige straat, dacht Hole, zo midden in de nacht komt hier normaal nooit iemand langs.

De wekkerradio leerde Hole dat hij zes minuten aan het twijfelen was wat hij moest doen, toen zijn telefoon rinkelde. Hij hoopte dat hij weer wakker zou worden, maar dat was hij al. Hij nam op. Een vrouw vroeg hem wat zijn favoriete cola was.

“Coca-Cola.”
“We zien je nog niet. Je hebt nog tweeëntwintig minuten.”

Ze hing meteen op. Hole sloeg zijn deken opzij, trok de kleren van gisteren aan en pakte snel de fiets. Als hij doortrapte, kon hij net op tijd bij de Blauwe Brug zijn. De adrenaline liet hem vliegen. Hij merkte dat het koud was, maar hij voelde het niet. De vrouw had zo dwingend geklonken dat Hole geen andere keus had. Hij wist nog steeds niet wat er gaande was, maar als iemand hem zo dwingend midden in de nacht verzocht te komen, kon hij maar beter zorgen dat hij luisterde. Dat was wel een les die hij van het schoolplein onthouden had.

Boven aan de brug stapte Hole snel af. Zijn been haakte aan zijn bagagedrager. Hole struikelde, bleef net staan. Natuurlijk, juist nu moest zijn onhandigheid weer opspelen. Hole rende de trap af. Hij had zijn fiets niet op slot gezet, maar wie kwam er op dit tijdstip hierlangs? Hij moest dit risico maar nemen.

De laatste treden vertraagde Hole en probeerde hij extra rustig te ademen. Hij moest koel lijken en hij slenterde bijna naar de pijler.

Er stond niemand.

Hole wachtte even. Zijn telefoon gaf aan dat hij op tijd was. Net op tijd, maar dat moest genoeg zijn.

Er was nog steeds niemand.

Hole checkte nog een keer de tijd. Zou die wel kloppen? In principe zou zijn telefoon altijd de juiste tijd moeten weergeven, maar kon hij dat wel vertrouwen? Hij opende het sms-je. Dat was precies dertig minuten geleden binnengekomen.

Eigenlijk durfde hij niet, maar Hole besloot rond de pijler lopen. Hij was zowel bang aan de andere kant wel iemand te treffen als aan zijn kant iemand te missen als hij weg was. Maar wat moest hij anders?

Zo! Wat klonk zijn ringtone hard op deze donkere plek. Maar voordat Hole op kon nemen, was het alweer gestopt. Vrijwel meteen kondigde een ting een nieuw sms-je aan.

Sorry. Verkeerd verbonden. Ga naar huis. En snel een beetje!

Hole sprintte de trap op, sprong op zijn fiets en racete weg. Hij keek of hij achtervolgd werd. Achter hem was niemand. Geen wandelaar, geen fietser, geen auto in het gele licht op de brug.

Thuis nam Hole een whisky, die hij in het donker opdronk. Hij moest even rustig worden, maar durfde niet te laten zien dat hij thuis was. Op zijn slaapkamer kleedde hij zich uit, nam de telefoon uit zijn broek en legde deze op het nachtkastje. Wat stom, dacht Hole. Waarom zag ik dat niet eerder?

De telefoon die hij net teruglegde, had hij een week geleden van zijn moeder gekregen. Nieuw, prepaid. Ze had bedacht dat hij altijd voor haar bereikbaar moest zijn. Op haar leeftijd wist je het immers maar nooit, had ze gezegd. Hij had al bij het eerste sms-je kunnen weten dat hij had kunnen blijven liggen. Alleen zij had zijn nummer en deze week had ze steeds op zijn eigen telefoon gebeld. Ze wist het nummer nog niet uit haar hoofd.