Hugo Vanthekske. weigerde het zelfmoord te noemen, hij was gewoon opgehouden te leven.

Tweemaal schudde Hugo zijn eerbiedwaardige hoofd en tweemaal schoven z’n eerbiedwaardige grauwe bakkebaarden heen en weer over zijn vest. ’t Klopte niet. Er had hierboven niks moeten zijn.

Door zijn verrekijker bekeek hij het leven onder hem. Het was drukker geworden, gejaagder. Iedereen deed zijn best zo veel mogelijk uit het leven te halen. Toen Hugo Vanthekske. nog leefde, keek hij al vol meelij naar die de stakkers. Er was niks anders dan het leven, daarna zou het over zijn. Waarom zou je naar dat einde haasten? Hugo zat dan aan de oever van de rivier en keek naar alles wat voorbijging. Versterven noemde hij dat en hij voelde zich er wel bij. Hij wachtte rustig op het grote niks.

Nu wist Hugo wat er kwam. Hij had gewild dat hij op aarde nog meer de tijd genomen had. Hij nam een slokje van zijn koffie en keek weer door de verrekijker naar beneden. Nogmaals schudde Hugo zijn eerbiedwaardige hoofd en nogmaals schoven z’n eerbiedwaardige grauwe bakkebaarden heen en weer over zijn vest. Hij had een dichter willen zijn, de tijd willen vangen in woorden. Dan had hij nu zijn opschrijfboekje kunnen pakken en bladeren naar 27 februari 1994, toen de zon door het raam scheen en het haar van Baukje in brandend goud veranderde. Hij had 13 november 2009 kunnen opzoeken en weer voelen waarom Marijn hem een ring om de vinger schoof. Maar Hugo was geen dichter geweest, Hugo was te druk bezig geweest met versterven. Terwijl het water altijd stroomde, stroomde de tijd langs hem heen.

Als Hugo Vanthekske. had geweten welke tijdsloosheid hem te wachten zou staan, dan had hij er nooit zelf een punt achter gezet.