Ze keek naar beneden. De rivier stond hoog. Het water was dichter bij de brug, maar het stroomde sneller.

Als iemand ernaar vroeg, zei ze altijd dat ze het niemand aan kon raden, een doodgeboren tweelingzus. Vanwege haar glimlach dacht men dat ze een grap maakte, maar ze was bloedserieus.

Isabel was moe. Bij alles wat ze deed, was haar zus aanwezig. Het was nooit haar verjaardag, haar ouders herdachten de dood van haar zus. Toen zij naar de middelbare school ging, verzuchtten haar ouders hoe jammer het was dat ze niet samen konden gaan. Op haar achttiende verjaardag werden ze beiden volwassen. En toen ze slaagde, bleek dat haar ouders ook voor haar zus een studiespaarrekening hadden geopend. Maar zij kreeg dat geld niet. Haar ouders hadden zelfs maar één naam gekozen. Toen Isabel bij haar geboorte overleden bleek, kreeg zij als laatste van de tweeling dezelfde naam. Isabel had twee levens geleefd, het voelde als vier.

Onder de brug verscheen een boom. Het kolkende water, bruin van de meegevoerde modder, oogde als een allesverslindend monster. Maar de lucht was blauw, de zon scheen en de wind was gaan liggen.

Isabel opende haar portemonnee. Ze had de foto van Isabel en haar vanmiddag uit het fotolijstje op de schouw gehaald en was hierheen komen lopen. Dwars door de polders. Door de rust van de weilanden waren ook haar gedachten wat gaan liggen. Ze had een storm verwacht, maar ze had in alle rust haar leven overdacht.

Ze keek nog even naar de twee baby’s in haar handen, stak haar armen vooruit en liet de foto los. Isabel nam haar rugtas op en liep aan de andere kant de brug af, op weg naar het station. Alleen, voor het eerst.