De zon stond hoog aan de lucht, er was een hittegolf. Twee uur geleden kreeg Jamie een appje waarin Karin het uitmaakte. Het was niet onverwacht, toch was hij lamgeslagen. Hij probeerde een antwoord proberen te typen, maar het lukte niet. Ze had de hele tijd ‘Aan het typen…’ op haar scherm moeten zien. Hij hoopte dat ze steeds met bonkend hart op zijn reactie had gewacht.

Na een hele poos was Jamie opgestaan, naar zijn schuur gelopen en had hij zijn schop gepakt. Aan zijn droge keel, kletsnatte shirt en vermoeide armen kon hij voelen dat het eigenlijk te warm was. Maar hij kon niks anders doen dan zijn tuin omspitten.

Het grasveld was een ravage geworden, in het midden had hij een kuil gegraven. Nu waren de rozenperken aan de beurt. Bij de eerste rozenstruik die hij uit de grond trok, haalde hij zijn handen open. Jamie trok zijn shirt uit, bond deze ter bescherming om zijn handen en zag het rood kleuren. Het gaf niks, alles was nu toch al kapot. Hij trok de andere struiken uit de grond en gooide alles in de kuil.

Jamie gooide er grond op en begon met aanstampen. Toen de grond weer vlak was, zette Jamie zijn handen op zijn knieën en keek hijgend om zich heen. Zijn tuin was binnen een uur van een mooi bloeiend perceel een kale, bruine vlakte geworden. Hij zag dat hij in het midden harder had gestampt. Daar waar de rozen begraven waren.

Het voelde alsof Jamie zijn hart erbij had gestopt. Hij hoopte dat er ooit weer iets moois kon groeien.