Jans knipte de lichten rond de spiegel aan, ging op de stoel zitten en pakte zonder haar blik van haar spiegelbeeld af te wenden een elastiekje met haar rechterhand. Met haar linker trok ze haar haar strak naar achteren en binnen een seconde had ze een paardenstaart.

Ze maakte haar ogen op. Het liefst zou ze zich niet opmaken, maar dan moest ze naakt de straat op. Dan zou iedereen zien wie ze echt was. Met elke veeg had ze het idee zichzelf een beetje uit te gummen.

Na haar ogen volgden haar wangen, waarna Jans afsloot met haar lippen. Net toen ze opstond, zag ze iets. Ze ging weer zitten. Er was iets met de spiegel. Het was een oude spiegel, nog van haar moeder geweest. Toen Jans hem kreeg, zat het weer er al in en het glas was gebroken omdat haar moeder hem ooit had laten vallen. Zelf had Jans er ooit een tweede breuk in gemaakt toen ze haar wekker naar Jos had gegooid. Ze miste hem. De wekker had nog maar één pootje en tikte nu alleen voor haar.

Jans keek naar de breuken en het weer. Het was steeds lastiger zichzelf te zien, maar een nieuwe spiegel kopen kon ze niet. Het hoefde ook niet. Door de routine wist ze precies hoe ze zichzelf op moest maken om er zo onopvallend mogelijk uit te zien. Ze keek nog eens. Het was niet het kapotte glas dat opviel, het waren niet de zwarte stippen die het zicht belemmerden, het was dat Jans zichzelf niet meer zag. Ze herkende de vorm van het hoofd, ze herkende de kleur van de lippenstift, van de mascara, maar voor haar zat een oude vrouw die wanhopig jong probeerde te lijken.

Het was Jans deze ochtend niet gelukt zichzelf te laten verdwijnen. Ze had iemand anders geschilderd. Een monster. Jans schoot naar achter, greep het eerste dat haar handen vonden en met alle kracht die ze in zich had, gooide ze dat naar de spiegel, naar wie ze geworden was.

De wekker rinkelde één keer toen hij tussen de scherven op de grond belandde. Daarna stopte hij met tikken.