Het cellofaan knisperde harder dan de sneeuw waar Jacques op liep. Hij trok zijn handschoen even uit om het kaartje van de bos te halen. Bloeigarantie, zou dat ook in deze kou gelden?

Het leek Jacques beter beschutte plekjes op te zoeken. De eerste bloem plaatste hij bij de bosjes van het trapveldje. Vandaag was er geen voetballende jeugd, de bloem zou niet vertrappeld worden.

Het was verse sneeuw, de bloemen bleven makkelijk staan. Jacques zette er eentje bij het speeltuintje, eentje bij de brug over de sloot, aan de andere kant van de sloot, bij het huis dat gebouwd werd. Hij groette de buurvrouw, die haar hond uitliet. Jacques zag wel dat ze haar hoofd lichtjes schudde toen hij antwoordde dat het wel goed ging, dat hij zijn draai steeds beter kon vinden. Maar het was echt zo. Natuurlijk miste hij Evelien nog elke seconde, maar hij kwam weer buiten, hij durfde beter met zichzelf te zijn. Hij zag in dat het nooit meer zou worden als het was en voelde het begin van acceptatie.

Toen Jacques zich een paar bloemen verder omdraaide, zag hij dat hij een vrolijk spoor van groen, geel en rood achter had gelaten. Als hij niet elke steen, elke boom in dit gedeelte van de stad al kende, hij zou de weg niet eens kwijt kunnen zijn.

Jacques zat aan de keukentafel, zijn handen om het lege maar nog steeds warme theeglas. Er kwam weer leven in zijn vingers. De klok tikte de seconden weg en sloeg twee. Hij schoof zijn stoel naar achteren, liep naar de gang en deed zijn jas aan. Sjaal om en voor de zekerheid ook de kraag omhoog. Hij twijfelde over handschoenen, trok ze toch aan. Hij zag op tegen deze wekelijkse wandeling, aan de andere kant was het bezoek aan Eveliens graf in deze korte tijd al een vertrouwd ritueel geworden. Het klonk misschien gek, maar het voelde alsof Evelien en hij het samen deden. Dit was iets van hun twee.

Onderweg zou hij wel een bosje bloemen voor haar plukken.