“Zodra ik harder dan tachtig rij, klinkt de auto raar.”

“Geef me de sleutel maar, dan zal ik eens luisteren.”

Ze geeft me een kop lauwe filterkoffie, neemt mijn sleutel aan en vertrekt. Door het raam zie ik dat zij net iets te hard de straat op rijdt, oplichtende remlampen bij de andere auto. Voor me ligt een stapel van de leesmap. Ik neem het bovenste tijdschrift en blader door de levens van mensen die ik eigenlijk niet wil kennen.

Ik haat mijn auto. Het is fijn dat ik ermee naar mijn werk kan, vrienden, familie. Mijn auto brengt me ergens. Maar ik weet er niks van en vaak kost het me meer dan ik ingecalculeerd had. De garage kan me alles wijsmaken, ik heb gewoon geen idee wat ze zeggen. We spreken niet dezelfde taal.

Na tien minuten komt ze terug. “Het is de lager van het linker voorwiel. Zou ik zo snel mogelijk vervangen.”

Een lager in het linker voorwiel. Ik kon het geluid nergens plaatsen, maar het zou best daarvandaan kunnen komen. “Wat kost het?”

“Paar honderd. Nu doen?”

Voor ik ja kan knikken, loopt ze weer naar buiten en rijdt de auto de garage in. Ik denk dat ze weet wat ze doet. Bij mijn oude garage waren de kosten altijd hoger dan voorspeld, haar eerste rekening was tweehonderd euro lager. Het kan een truc zijn, maar ik wil haar vertrouwen.

Ik loop naar huis, spoel de smaak van slechte koffie met goede weg, word twee uur later gebeld en loop weer terug.

300 euro armer rij ik naar huis. Ik denk verschil te horen, ik wil verschil horen. Het mag wat kosten, dat vertrouwen.