Er snijdt een gure wind in Jerômes gezicht. Hij probeert de rits van zijn jas nog een stukje hoger te trekken, zijn kin duikt achter zijn sjaal. In het licht van de lantarenpaal ziet hij een waas aan regen vallen. Zijn oren zijn nat en pijnlijk koud.

Het is begin december, de avond is net begonnen. Jerôme ziet in de verte een man met een hond het park in gaan, licht op de hoek van de straat kondigt een auto aan. Verder is het stil in de wijk. De hele dag zat Jerôme in zijn huis, onrustig. Af en toe liep hij naar het raam in de hoop dat hij de tijd kon versnellen, dat zijn ongeduld het vallen van de avond zou afdwingen. Eindelijk sloeg de koekoeksklok van zijn ouders zes uur. Dit was zijn tijd, eindelijk mocht hij naar buiten.

Jerôme weet precies bij welke huizen de gordijnen open zijn, bij welke huizen hij even zijn pas inhoudt om het huiselijke tafereel gade te slaan. Het donker geeft nabijheid. De omgeving valt weg, er is alleen het raam en wat erdoor te zien is. Hij ziet hoe de vader op 31 het eten op tafel zet. De kinderen van 48 kijken nog even TV. De vrouw op de hoek van de Steenstraat en Beverweg komt thuis, kust haar dochter en dan haar man. Hij kent de familieroutines van zijn buurtgenoten zoals hij die van vroeger zelf kent. Toen de koekoeksklok de komst van zijn vader aankondigde, hem het teken gaf zijn boek weg te leggen en de tafel te dekken. De intimiteit van de winter, waar je als gezin nog meer bij elkaar hoort dan op warme zomerdagen buiten. Van alles wat Jerôme mist, heeft hij het meest heimwee naar die tijd.

Het is begin december, de avond is net begonnen. Jerôme kijkt door de ruiten alsof hij langs etalages loopt, zichzelf te vergapen aan dingen die hij zich waarschijnlijk nooit kan veroorloven.