Iedere ochtend als de slagboom van de parkeergarage achter Kenny dichtvalt, voelt het alsof een cipier zijn cel sluit. Een afgesloten ruimte in een gebouw waar hij toch al niet uit kan. Zijn leven de gevangenis. De dagelijkse sleur bestaat uit steeds hetzelfde werk, steeds dezelfde gesprekken met zijn vrouw. Steeds dezelfde onderwerpen die in steeds minder woorden en steeds meer kwaad zwijgen besproken worden. En iedere dag op weg naar kantoor en later op weg naar huis de gedachte dat hij nu de kans heeft om te ontsnappen. Korte dromen over weggaan, ergens opnieuw beginnen, zijn leven weer in eigen hand nemen.

Kenny parkeert. Zet de auto uit, blijft zitten. Zet de auto weer aan, hij gaat nu echt. Op weg naar de uitgang ziet hij de buitenlucht, het wordt lichter om hem heen. De radio zet hij harder, hij zingt mee. De slagboom gaat open, Kenny geeft net te veel gas en schiet de helling op. Links is de weg naar huis, hij gaat rechtsaf. Dit is het, dit is echt weg. Alles ligt voor hem open. Hij heeft het in eigen hand.

Hij doet het. Slaat nog een keer rechtsaf. Voor hem een straat vol eindeloze mogelijkheden. Hij moet kiezen, maar weet niet wat. Hij gaat weer rechtsaf.

Zijn hoofd is vol, zijn hart te groot. Het drukt zijn longen dicht. Nog een keer rechtsaf, die weg kent hij. En hij weet dat nu hij weer rechtsaf gaat, er kalmte komt. Berusting. Zijn ademhaling zakt, zijn hartslag daalt tot een vertrouwd ritme.

Ten slotte de laatste keer rechts, zoals elke ochtend als hij weer even ontsnapt is. De slagboom opent zich weer. Kenny glimlacht naar de cipier.