Schreeuwende kinderen bij het zwembad, galmende ouders in het zithoekje: Leonie hoorde en zag alles, maar niks drong tot haar door. Pas toen Marjolein tegen haar arm tikte, herkende ze haar dochter.

Een moedervlekje in haar nek. Haar man had haar willen kussen, ze voelde hoe hij zich even inhield. Eerst zei Jeroen dat er niets was, later vertelde hij dat hij niks had willen zeggen omdat ze zich zorgen zou maken. Hij deed dat niet, de huisarts niet en ook de dermatoloog twijfelde niet, maar ze kon zich niet laten geruststellen. Dus had ze twee weken gelegen het vlekje laten weghalen. Voor de zekerheid, voor onderzoek.

Twee weken had ze bar slecht geslapen. Het kon gewoon niet goed zijn. Ze had zichzelf achteruit zien gaan. Ziekenhuis in, ziekenhuis uit. Een einde dat sneller naderde dan haar zinde, dat pijnlijk was, fysiek en mentaal. In haar hoofd had ze haar begrafenis geregeld. Muziek uitgezocht, uitnodigingen verstuurd. Ze had Marjolein zien huilen, zien opgroeien zonder moeder. Ze had Jeroen met een ander gezien, ze had Jeroen zien wegkwijnen omdat hij haar dood niet te boven zou komen, ze had gezien hoe Jeroen haar langzaam vergat.
In twee weken tijd passeerden ’s nachts veertig jaar. De spiegel liet zien dat de tijd ook in het echt vooruit werd gespoeld. Het getob maakte Leonie versneld ouder.

Onderweg naar het zwembad rinkelde de telefoon. Leonie twijfelde even of ze moest opnemen, of Marjolein alles moest horen. Toch drukte ze op het groene icoontje, de stem van de dokter vulde de auto. Het was een kort gesprek, er was niks aan de hand. Marjolein had tot ze in het zwembad dook haar moeder bestookt met: “Dat is goed nieuws, hè, mama, dat is goed nieuws!” Ook al had ze geen idee wat er dan slecht nieuws had kunnen zijn.

Leonie zat bij het zwembad. Ze legde haar telefoon aan de kant, Jeroens nummer had ze al ingetypt. Ze trok Marjoleins natte kleren uit. Ze belde Jeroen en snikte dat hij gelijk had. Het was niet het moedervlekje, het was haar hoofd. Ze moest naar de dokter, ze maakte zich zorgen.