Na haar studie was Lieke in de winkel blijven hangen. Misschien was het zonde van haar opleiding, maar ze kon nu geen betere baan dan die als caissière bedenken. De rust in de winkel vlak voor openingstijd, de geur bij de bakkerij. De tijd die je voor de eerste klanten kon nemen, de rij die langzaam groeide, het tempo dat toenam. De invasie aan kinderen als de school net uit was. De mensen die de vergeten ingrediënten vlak voor etenstijd kwamen kopen en dan de gestaag afnemende drukte naar sluitingstijd, met uiteraard een kleine piek vijf minuten ervoor.

Ze hield van de diversiteit aan boodschappen. Mensen die alleen gemaksvoer kochten, anderen die met stapels groenten en kruiden de winkel verlieten. Tijdschriften die je niet bij sommige mensen zou verwachten. Het meisje dat elke donderdag de Donald Duck kwam kopen. Het medelijden met de man die elke ochtend zijn best deed er zo goed mogelijk uit te zien, maar wiens uiterlijk volledig paste bij het krat bier dat hij kocht.

Lieke hield van het ritme van de bekende gezichten, hoe je de mensen beetje bij beetje beter leerde kennen. Neem de vader die elke dinsdag met zijn dochter boodschappen kwam doen. Lang heeft ze zich afgevraagd of hij alleen was, ze zag geen trouwring. Tot ze de dochter met een vrouw zag, die met mama werd aangesproken. Of de vrouw die eerst met vier kinderen kwam, toen met drie, met twee, met één en ten slotte alleen kwam omdat ze alle vier het huis uit waren. Dat ze aan de boodschappen en vooral de lach van de vrouw kon zien als ze het hele gezin weer een weekend thuis had. Lieke vroeg niet meer aan iedereen of ze zegeltjes wilden. Ze wist het van de meesten wel.

Lieke schoof het beurtbalkje naar achteren, keek de nieuwe klant aan en zei: “Goede dag!” Ja, dat was het wel.