3:22. Nog geen half uur had Pier geslapen. Hij gromde, treuzelde wat in de hoop dat Tanja op zou staan. Maar het huilen ging hem door merg en been, dus sloeg hij het dekbed open en stond hij op.

Net te ruw haalde hij Tim uit zijn bedje. Wat haatte hij deze nachten. Hij voelde de wallen onder zijn ogen groeien, hij had keel- en hoofdpijn van het chronische slaaptekort. Hij hoopte liefde te voelen, die onvoorwaardelijke liefde waar sommige ouders het over hadden, maar voelde alleen de vermoeidheid en de lage tolerantiegrens die daarbij hoorde.

Pier had de puf ook niet om zachtjes op de trap te doen. Hij legde Tim in zijn box, raakte bij het maken van de melk de tel kwijt, zuchtte, telde opnieuw en gaf Tim op de bank zijn flesje.

Twee slokken en het huilen hield niet op.

Hoe Pier de fles ook bij Tims mond hield, zijn zoontje wilde niet drinken. Hij wilde alleen maar blèren.

Pier pakte de luiertas, legde Tim op een matje op de bank, opende het rompertje en de luier. Niks. Toch een nieuwe omdoen, maar Tim stopte niet. En Pier kon niet meer. Hij wilde nog maar één ding, zijn ogen dicht. Hij ging languit op de bank liggen, legde Tim op zijn borst en sloot zijn ogen.

Die rust. Zodra Tim tegen Pier lag, was hij gestopt met huilen. Pier kroelde met zijn hand in Tims nek en voelde hem nog meer ontspannen. In Pier groeide een trots, de trots dat hij zijn zoontje kon troosten door er alleen maar te zijn. Pier kon nu niet meer slapen. Door de liefde. Die onvoorwaardelijke liefde.