“En nu ben ik er klaar mee!” Willemijn legt haar bestek met enige nadruk op tafel. Ze kijkt Wouter en Ralf aan. “Dit is niet gezellig samen eten, dit is een potje klagen uit zelfmedelijden. Daarvoor heb ik jullie niet uitgenodigd. We krijgen allemaal nu één minuut om ons gal te spuwen en daarna praten we alleen nog over leuke dingen.”

Ze pakt haar telefoon, start de stopwatch en begint. “Ik heb het echt superdruk op het werk en zou wel iets meer vrije tijd willen hebben. Hoppa! Vijf seconden. Nu jij, Wouter.”

“Ik ben gewoon moe. Klaar!”

Willemijn kijkt Ralf aan, telt af en start bij nul de stopwatch.

“Het heeft vandaag geregend. Ik ben toe aan zomerweer. Ik sport veel, maar te weinig en het gaat nog niet zoals ik het hebben wil. Mijn faalangst nekt me bij de stomste dingen. De cola was vandaag uitverkocht en de nieuwe plaat van Arcade Fire vind ik maar suf. Ik zou soms ongelimiteerd geld willen hebben. Elke week naar het zwembad is stom, het voelt als een weggegooid uurtje. Ik haat mijn onzekerheid in groepen. Ik ben ook moe. Ik ga te weinig uit, maar als ik ga, wil ik om twaalf uur weer naar huis, omdat ik me te oud voel. Vanochtend zag ik twee witte baardharen. Ik moet een nieuwe pet, maar…”

“Stop,” roept Willemijn. “Je tijd is om. Wat kun jij klagen, zeg. Foei.”

En toch vindt Ralf dat hij een positief persoon is. Maar mensen die zeggen dat alles goed gaat, gelooft hij gewoon niet.