Gisteravond stopte Mirjam midden in een zin, bracht haar gezicht dicht bij Ronnies kin en trok er een haar uit. Ze hield hem voor zijn ogen.
“Je wordt grijs, ouwe.” Ze grijnsde er net iets te triomfantelijk bij.

Nu staat Ronnie voor de spiegel. In het felle licht ziet hij al zijn poriën, rimpels en slaapvouwen. Hij ziet zelf ook wel dat hij geen twintig meer is, maar vraagt zich af of het toen veel beter was.

Dan pakt Ronnie een pincet en buigt zijn baard tot vlak bij het glas. Hij ziet inderdaad een witte haar en trekt deze eruit. Met een vinger duwt hij tegen de bijna doorzichtige haar in het pincet. Stug. Hij laat hem in de gootsteen vallen en brengt zijn gezicht weer naar de spiegel.

Per ongeluk trekt hij een donkere haar uit zijn kin. Pas de tweede keer heeft hij de goede te pakken.

Als hij nog een haar eruit trekt, ziet hij de volgende witte haren al zitten. Hij haat Mirjam even. Had ze gisteren maar niks gedaan, dan had hij hier niet zo gestaan.

Na de vijfde haar begint het op zijn kin te jeuken, de zesde is gewoon pijnlijk te noemen. Ronnie doet een stap naar achteren en kijkt nog eens in de spiegel. Hij pakt een kam, brengt zijn haar in model en ziet de witte haren in zijn baard niet meer. Bovendien, denkt Ronnie, is hij al achtendertig en er zijn mensen jonger grijs of kaal geworden. Eigenlijk ziet hij er best goed uit, concludeert Ronnie. Laat die haren maar zitten. Het is zijn daad van verzet tegen de maakbaarheid van het leven, besluit hij. Of zoiets.

Ronnie legt het pincet weg. Als Mirjam nog een keer een haar uit zijn baard trekt, haalt hij er een uit haar hoofd. Of het nu een grijze haar is of niet, dat mag ze de ochtend erna zelf uitzoeken.