Toen Saar 's ochtends naar buiten keek, zag ze dat de tuin een zwembad geworden was. Op Buienradar was Nederland niet meer te zien, dus voorlopig zou het ook niet droger worden. Ze zuchtte en zei tegen Marieke dat ze haar regenkleding aan moest trekken. Marieke protesteerde, ze wilde niet fietsen.

Saar zuchtte dieper. "Lieverd, als het regent wil, je nóóit fietsen. Maar je moet toch naar school." Ze keek toe terwijl Marieke woest worstelde met haar regenjas en regenbroek.

"Maar mama, we kunnen toch met de auto?"

"Die heeft papa toch..."

Terwijl Saar het zei, bedacht ze ineens dat ze sinds kort een tweede auto hadden. Saar had al van jongs af aan een hekel aan gezinnen met twee auto's. "Aanstellers," dacht ze vaak, als ze weer eens geen parkeerplek voor haar deur kon vinden. "Met de fiets is ook alles goed te doen. En een goed regenpak is goedkoper." Maar toen Willem op dertig kilometer kwam te werken en Saar zich in bochten moest wringen omdat hij dagelijks de auto nodig had, besloten ze zich over hun aversie heen te zetten en schaften ze zich een boodschappenwagentje aan.

Saar laadde Marieke achter in de auto, reed bij school tot voor de ingang, liet Marieke snel uitstappen en reed na even getoeterd te hebben droog en zeer tevreden naar huis. Soms was het helemaal niet erg iemand te zijn die je gezworen had nooit te worden.