Het licht uit de lantarens streek neer op eeuwenoude muren. Alles binnen het licht kleurde Zuid-Europees geel. Wat in hoekjes of achter muurtjes zat, verdween in het donker. Het bestond niet meer.

De digitale klok van de apotheek gaf enkele seconden aan dat het net na negenen was, de andere seconden leerden dat het nog steeds dik in de dertig graden was. Samer droeg zijn jas over zijn arm. Hij was niet gewend zonder van huis te gaan. De zon had overdag alles verwarmd, maar de directe hitte was verdwenen. Samers shirt plakte een beetje, ook al had hij het pas net aan.

De straatjes vormden een doolhof van plein naar plein. De echo van Samers leren schoenen vulden de steeg waar hij liep. Het geluid van het vorige plein was juist gedoofd. Het geroezemoes van dinerende mensen kondigde het volgende plein aan. Met elke stap werd het luider, het straatje minder eenzaam.

Samer keek naar boven. De daken staken pikzwart af tegen een zachtzwarte hemel. Als hij goed keek, kon hij een paar sterren zien. Hij zag door een openstaande luik op de eerste verdieping een keuken. Iemand zong, maar Samer kon niet horen of het uit de keuken of een ander huis kwam.

Samer sloeg rechtsaf, linksaf, stak een plein over en had geen idee meer waar hij was, behalve op precies de juiste plek.