Je kocht een overhemd voor mijn verjaardag. Groen, precies de kleur van mijn ogen. Je zag me er graag in, het werd mijn lievelingsoverhemd. Het werd mijn lievelingskleur.

Je kocht schoenen voor mijn verjaardag, met het groen van mijn overhemd. Je zag me er graag in, het werden mijn lievelingsschoenen. “Met je lievelingskleur,” zei je.

Je kocht een armbandje voor mijn verjaardag. Voor bij mijn overhemd en bij mijn schoenen, zei je. Maar mijn overhemd was vaal, de schoenen te vaak gedragen.

Je kocht een nieuw overhemd voor mijn verjaardag. Groen, donkergroen. “Want groen is je lievelingskleur,” zei je. Je zag niet dat ik vaker mijn blauwe droeg, ook blauwe schoenen kocht. Ik durfde je niet te zeggen dat mijn lievelingskleur veranderd was.

Je kocht niks voor mijn verjaardag. “Want je draagt toch niet wat ik voor je koop,” zei je. Wilde je zeggen. We durfden niet.

Nu moet ik zelf iets kopen voor mijn verjaardag. Ik weet mijn lievelingskleur niet meer.