Zestien was hij nu.

Vernon keek in de spiegel. Een bleke huid, hij was iel, telde zijn ribben. Zijn haar net te lang, ongekamd en van een onbestembare doffe kleur. Zijn schouders hingen wat naar voren, zijn ogen konden net onder zijn pony doorkijken. En natuurlijk puistjes in zijn gezicht. Wat hij zag, had alle kenmerken van een puber.

Maar Vernon wist, hij was geen puber. Hij leefde niet het leven van spijbelen, expres onvoldoendes halen. Met vriendjes roken in de pauze, na het stappen te laat thuiskomen en 's ochtends in zijn eigen braaksel wakker worden.

Vernon vond de wereld ook wel best zo. Hij had niet de illusie dat zijn generatie het beter zou doen. De generatie van zijn ouders had maar wat gedaan, die daarvoor ook en zo deed iedereen altijd maar wat. Vernon ook. Hij leerde genoeg om steeds over te gaan, at in alle rust samen met zijn ouders, maakte soms een grapje, was af en toe boos, keek 's avonds tv of hij las een boek. Nee, hij had niet de minste behoefte om zich tegen iets of iemand af te zetten.

Was er echt niks? Nee, Vernon had één heimelijk genoegen. Dat zijn vader twintig jaar geleden zijn achternaam veranderde, vond hij nog daaraan toe. Dat hij zijn zoon ook de voornaam van zijn favoriete boekpersonage gaf, dat nam hij zijn vader al zijn hele leven kwalijk. En daarom zorgde hij er nog steeds voor dat telkens als zijn vader hem welterusten kwam wensen, Wonder Boys nog ongelezen op zijn nachtkastje lag.